U bent hier: Home Archief Nieuwsarchief 2010 Bijdragen Symposium ‘Kunstgeschiedenis in beeld. Het belang van reproducties voor de kunstwetenschap, 18de eeuw tot heden’

Bijdragen Symposium ‘Kunstgeschiedenis in beeld. Het belang van reproducties voor de kunstwetenschap, 18de eeuw tot heden’

Ingrid Vermeulen
Het achttiende-eeuwse prentenkabinet als kunsthistorisch laboratorium
In een tijdperk waarin de fotografie nog niet bestond, laat staan de digitale fotografie, maakte de kunsthistoricus voornamelijk gebruik van prenten om een visuele indruk te krijgen van kunstwerken. Vooral sinds het einde van de zeventiende werden prenten op grote schaal bijeengebracht in verzamelingen, die specifiek met het oog op kunst en haar geschiedenis werden samengesteld. Deze collecties hebben een onuitwisbare stempel gedrukt op ideeën over de geschiedenis van de kunst, een begrip dat ook niet toevallig werd gemunt in het midden van de achttiende eeuw. In de lezing zal aan de hand van voorbeelden uit enkele saillante Europese prentcollecties, zoals die van Corsini, Michel de Marolles en Pieter Cornelis van Leyden, worden ingegaan op de nieuwe empirische eisen die aan de bestudering van kunst werden gesteld, het probleem van goede reproducties en de demonstratie van het artistieke verleden.

Ingrid R. Vermeulen is als universitair docent kunstgeschiedenis verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij promoveerde in 2006 op het proefschrift Picturing Art History. The Rise of the Illustrated History of Art in the Eighteenth Century. Een bewerkte versie van het proefschrift is verschenen bij Amsterdam University Press in 2010. Op dit moment werkt zij aan een reeks artikelen over de uitwerking van prentverzamelingen op de reputatie van kunstenaars, geschiedopvattingen in de kunstliteratuur en de collectievorming van vroege musea.

Paul van den Akker
Gestileerde illustraties en het wezen van de kunst
Vanaf het midden van de 18e eeuw bood o.a. de esthetica een nieuw argument voor het gebruik van reproducties in de kunstliteratuur: de aanschouwing van kunstwerken zou een andersoortige, zintuiglijke kennis verschaffen in vergelijking met de verstandelijke die men opdoet bij het lezen van teksten. Bovendien zou deze kennis beter inzage verschaffen in het wezen van de kunst. Rond 1830 typeerde bijvoorbeeld Karl Friedrich von Rumohr kunst als een vorm van >Anschauliches Denken=, ter onderscheiding van het rationele, taalkundige denkvermogen. In de lezing wordt besproken hoe deze visie - die ook later nog is terug te vinden in bijvoorbeeld Rudolf Arnheims Visual Thinking (1969) - wordt weerspiegeld in het gebruik van een specifiek soort illustratie. Niet de nauwkeurig nabootsende reproductie, maar een afbeelding waarin kunstwerken zijn gereduceerd tot abstracte composities van lijnen en kleuren ter illustratie van dat vermeende wezen van de kunst.

Paul van den Akker is werkzaam bij de opleiding Kunstgeschiedenis aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Van zijn hand verschijnt in het najaar Looking for Lines. Theories of the Essence of Art and the Problem of Mannerism. In deze historiografische studie worden de 20-eeuwse visies op stijl en stijlgeschiedenis van de oude kunst (in het bijzonder die van het Maniërisme) gerelateerd aan de moderne interpretatie van kunst als een samenspel van herkenbare figuratie en abstracte stilering, die sinds de 18e eeuw een fundament van de kunstbeschouwing is geworden.

Mirjam Hoijtink
Beeldvorming: de biografie van de vroegste Leidse collectie klassieke pleisterbeelden (1818-1827)
In 1818 werd het ‘Archaeologisch Cabinet der Leidsche Hoogeschool’ opgericht. Op de bovenverdieping van het pand aan de Houtstraat was vanaf 1821 ook de pleistercollectie van de Leidse tekenacademie ‘Ars Aemula Natura’ ondergebracht. Deze verzameling, bestaande uit afgietsels die in het Louvre waren gemaakt van de geconfisqueerde klassieke Romeinse sculptuurcollecties, kwam na het ontslag van directeur David Giottino Humbert de Superville 1824 in het bezit van het Museum van Oudheden, zoals het ‘Cabinet’ vanaf die tijd werd genoemd (tegenwoordige RMO). Daar integreerde Caspar Reuvens, de eerste hoogleraar in de archeologie, de verzameling in de vaste opstelling.
De biografie van deze collectie is illustratief voor de transformatie van de cultuurhistorische canon die plaatsvond in de jaren ’20 van de 19e eeuw, en waarvan de kiem gelegd werd in 1815. Dit proces hing samen met de ontwikkeling binnen de historiografie, waar universele geschiedschrijving veranderde in nationale geschiedschrijving. Opmerkelijk genoeg was het effect hiervan in het contemporaine beeldende kunstonderwijs niet bijzonder groot.

Mirjam Hoijtink is als universitair docent verbonden aan Cultuurgeschiedenis van Europa aan de Universiteit van Amsterdam. Haar proefschrift (2009), getiteld ‘Caspar J.C. Reuvens en de Musea van Oudheden in Europa (1800-1840)’ zal in het Engels worden uitgegeven als: The Urge to Exhibit. Museums of Antiquity in Europe (1800-1840). In haar onderwijs benadrukt zij het belang van museumhistorische stratigrafie t.b.v. onderzoek en het ontwikkelen van cultuurhistorische biografieën van museale objecten.

Suzanne Laemers
Ein wertvolles Hilfsmittel’: de fotoverzameling van Max J. Friedländer (1867-1958)
Een belangrijke aanzet voor de aanleg van een fotografisch documentatieapparaat op het gebied van de Vlaamse primitieven gaf de groots opgezette Exposition des Primitifs flamands et d’Art ancien die in 1902 in Brugge werd gehouden, daar het een van de eerste gelegenheden was waar de tentoongestelde werken systematisch op glasplaat werden vastgelegd. Ook Friedländer heeft van de geboden mogelijkheid tot aanschaf van afdrukken gebruik gemaakt getuige de aanwezigheid ervan in zijn foto-archief dat in 1958 aan het RKD werd gelegateerd. Hoewel Friedländer een gedegen documentatieapparaat onontbeerlijk achtte, zag hij ook zeker de nadelen in van het beoordelen van kunstwerken naar foto’s. Desondanks moet het gebruik ervan Friedländer in zijn onderzoek naar kunstenaarspersoonlijkheden buitengewoon hebben geholpen. Ook voor latere generaties onderzoekers betekent de door Friedländer bijeengebrachte fotoverzameling, onder meer vanwege de aanwezige notities, een belangrijke hulpbron. In deze lezing zal op bovengenoemde aspecten nader worden ingegaan.

Suzanne Laemers is als conservator Vroege Nederlandse Schilderkunst verbonden aan het RKD. Sinds enkele jaren houdt zij zich bezig met het kennerschap van de Duitse kunsthistoricus Max Friedländer dat uiteindelijk zal resulteren in een proefschrift. Over Friedländer publiceerde zij reeds enkele bijdragen in het RKD-Bulletin (2005 en 2008) en in een door het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) uitgegeven studie Autour de la "Madeleine Renders". Un aspect de l'histoire des collections, de la restauration et de la contrefaçon en Belgique dans la première moitié du XXe siècle (2008) over Friedländers contacten met de verzamelaar en amateur-kunsthistoricus Emile Renders. Dit jaar zal in het Jahrbuch der Berliner Museen een bijdrage verschijnen waarin vooral Friedländers laatste jaren in Berlijn en zijn emigratie naar Nederland centraal staan.

Michiel Franken
Schilderijen doorgelicht: de bijdrage van het röntgen- en infraroodonderzoek aan de kunstgeschiedenis
Van de vijf verzamelgebieden van het RKD is Technische Documentatie de meest recente. Aanleiding voor een aparte verzameling Technische Documentatie was het onderbrengen van het onderzoeksmateriaal van Prof. dr. J.R.J. van Asperen de Boer en prof. dr. Molly Faries, dat grotendeels uit de resultaten van infraroodreflectografie (IRR) bestaat, bij het RKD. Een belangrijke uitbreiding vormde het archief van het Rembrandt Research Project, waarvan het RKD vanaf 1999 de eigenaar is. Dit archief bevat onder meer röntgenopnames van een groot aantal schilderijen.
Verzamelingen van technische documentatie en in het bijzonder technisches opnames, zoals röntgenopnames en IRR, spelen vanaf de late jaren 1920 een rol in kunsthistorisch onderzoek. Een belangrijke initiator op dit gebied was de kunsthistoricus Alan Burroughs, die als medewerker van het Department for Technical Studies van het Fogg Art Museum in Cambridge (Mass) vanaf 1928 een grote verzameling röntgenopnames aanlegde en hierover publiceerde. In mijn bijdrage zal ik nader ingaan op de betekenis van dergelijke verzamelingen voor de kunstgeschiedenis.

Michiel Franken is als conservator technische documentatie & Rembrandt en Rembrandt school verbonden aan het RKD. Van 1989 tot 1999 was hij wetenschappelijk medewerker bij het Rembrandt Research Project. Op dit moment is hij betrokken bij The Rembrandt Database, een pilot project van het RKD en het Mauritshuis in Den Haag, dat wordt gefinancierd door de Andrew W. Mellon Foundation. Het doel is het online raadpleegbaar maken van technische en kunsthistorische documentatie over schilderijen van en (voorheen) toegeschreven aan Rembrandt, afkomstig uit verschillende musea en andere internationale instellingen, in een meertalige onderzoeksbron.

Frits Scholten
De anatomie van het beeld, neutronen-radiografisch onderzoek naar bronssculptuur
Sinds enkele jaren wordt door het Rijksmuseum, als eerste en enige ter wereld, gebruik gemaakt van een geavanceerde beeldtechniek – neutronenradiografie en -tomografie – bij het onderzoek naar bronssculptuur. Deze techniek maakt het mogelijk om bronzen beelden op virtuele wijze en driedimensionaal te ‘ontleden’. Dankzij de plaatjes en films die dit non-destructieve onderzoek oplevert is het mogelijk een brons optimaal van binnenuit te bekijken en zo allerlei specifieke aspecten van zijn vervaardiging zichtbaar te maken. Aan de hand van enkele case-studies zal de betekenis en toepassing van deze fascinerende beeldtechniek voor de kunstgeschiedenis worden gedemonstreerd.

Frits Scholten is senior conservator Beeldhouwkunst van het Rijksmuseum en buitengewoon hoogleraar Verzamelgeschiedenis & Museumbeleid aan de VU. Hij promoveerde op een studie over 17de-eeuwse Nederlandse grafsculptuur (Sumptuous memories. Studies in seventeenth-century Dutch tomb sculpture, 2003) en publiceert geregeld over beeldhouwkunst van de late Middeleeuwen en de Nieuwere tijd.

Huigen Leeflang
Zijn originelen nog nodig? Onderzoekservaringen in digitale prentenkabinetten
De invloed van de digitale revolutie op de kunstgeschiedenis en het werk van de kunsthistoricus valt moeilijk te onderschatten. Nieuwe technologieën en informatievoorzieningen bieden ongekende mogelijkheden. De website van het British Museum bijvoorbeeld stelt nu al bijna twee miljoen objecten beschikbaar, waaronder grote delen van de collecties tekeningen en prenten. Bij het project ‘Prentenkabinet on-line’ van het Rijksmuseum staat de teller op ruim honderdduizend beschreven en opgenomen bladen. Van oudsher wordt onderzoek naar prentkunst gedaan door verschillende verzamelingen af te reizen en bladen ter plekke te bestuderen. De mogelijkheden om vanachter de computer werken terug te vinden en met elkaar te vergelijken nemen echter exponentieel toe. Welke gevolgen een en ander heeft voor het onderzoek in en de toekomst van prentenkabinetten laat zich moeilijk inschatten. Aan de hand van praktijkvoorbeelden zal hier niettemin een premature poging toe worden gedaan.

Huigen Leeflang is conservator in het Rijksprentenkabinet, Rijksmuseum Amsterdam. Hij werkte aan verschillende tentoonstellingen en catalogi van ondermeer het Frans Hals Museum, de Lakenhal en het Rijksmuseum (o.a. Hendrick Goltzius (1558-1617), tekeningen, prenten en schilderijen in samenwerking met het Metropolitan Museum). Momenteel organiseert hij samen met de Lakenhal de tentoonstelling Lucas van Leyden en de Renaissance (maart 2011).

Rudi Ekkart
De kunsthistoricus en zijn plaatjes: gisteren, vandaag en morgen
In de diverse bijdragen aan het symposium zijn allerlei aspecten van het thema ‘Kunstgeschiedenis in beeld’ aan bod gekomen. Daarbij rijzen uiteraard vragen over de samenhang tussen de ontwikkeling en beschikbaarheid van beeldmateriaal aan de ene kant en de ontwikkeling van de kunsthistorische wetenschap aan de andere kant. Voor het verleden en ook voor het heden kunnen we een aantal van die vragen beantwoorden. Vragen over de toekomstige ontwikkelingen van het vak en over de eisen die er gesteld moeten worden aan de toekomstige productie en beschikbaarheid van beeldmateriaal zijn echter veel moeilijker te beantwoorden en ontaarden gemakkelijk in koffiedik kijken. Vanuit de ontwikkelingen in de afgelopen decennia kunnen echter wel enkele tendensen worden gesignaleerd. Daarbij komt ook de vraag aan de orde of bij voortschrijdende digitalisering de historische verzamelingen foto’s en reproducties nog van nut zijn voor de kunstgeschiedenis van de 21ste eeuw of dat ze beter kunnen worden weggegooid.

Rudi Ekkart is directeur van het het RKD en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit Utrecht. Bij het RKD is en was hij nauw betrokken bij de ontwikkeling van de digitalisering van tekst- en beelddocumentatie ter aanvulling c.q. vervanging van analoge documentatie. In zijn Utrechtse oratie Kwesties van vraag en antwoord (2005) stond hij onder andere stil bij de functie van beeldmateriaal voor de beoefening van de kunstgeschiedenis en bij de ontwikkelingen die daarin kunnen worden gesignaleerd.

 

Print pagina http://website.rkd.nl/archief/nieuwsarchief/2010/bijdragen-symposium-2018kunstgeschiedenis-in-beeld.-het-belang-van-reproducties-voor-de-kunstwetenschap-18de-eeuw-tot-heden2019